I find performativity in interactions between anonymous characters that I stage within intimite, isolated, sterile, and quiet environments. These settings extend into objects, windows, doors, and exterior surroundings, forming images that shift between believability and fiction. I bring these scenarios into video installations, while seperating and reconstructing the viewpoints of my characters through spatial deconstructions of cinematic narrative.
I like to refer to the word ‘character’, and sometimes numbers instead of given names. This way I can distinguish the person from their personal expressions and feelings but let that happen in colours and the objects that surround them. While they try to reach for each other, live around each other, or long for something more, they stay stuck in an in between state. At the same time, this in between state becomes its own character and takes its shape as flattened out colour fields and new spaces.
Ik vind performativiteit in interacties tussen anonieme karakers die ik ensceneer in intieme, geisoleerde, steriele, en stille omgevingen. Deze decors strekken zich uit tot objecten, ramen, deuren en de buitenomgeving, wat beelden vormt die de grenzen opzoeken tussen fictie en geloofwaardigheid. Deze scenario’s verwerk ik in video-installaties, waarbij ik de perspectieven van de karakters demonteer en opnieuw samenstel tot ruimtelijke deconstructies van filmische vertelwijzen.
Graag spreek ik over ‘karakters’, en soms over cijfers, in plaats van over voornamen. Op deze manier kan ik de persoon onderscheiden van diens persoonlijke uitingen en gevoelens, maar dat laten weerspiegelen in kleuren en de objecten die hen omringen. Terwijl de karakters elkaar proberen te bereiken, naast elkaar leven of verlangen naar meer, blijven ze steken in een tussenstadium. Tegelijkertijd krijgt dit tussenstadium zelf de status van een karakter en neemt het de vorm aan van platte kleurvlakken en nieuwe ruimtes.